Achter de schermen zijn we druk bezig met onze nieuwe site LINDA.nl. Wil je een voorproefje? Klik dan hier (je kunt altijd terug)

cultuur

Roos Schlikker (43) over overleden moeder: 'Haar geest was soms zo zwart als haar Chaneljas'

Het boek ‘Moeder van glas’ van Roos Schlikker ligt nu in de winkel. Een persoonlijk boek, dat ze eigenlijk met haar moeder zou schrijven . Totdat haar moeder die een bipolaire stoornis had, overleed. Toch is het boek niet alleen een monument voor haar moeder maar voor iedereen die wel eens wankelmoedig is. 

| Roos Schlikker

In de video boven aan het stuk zie je waarom ze onderstaand fragment uit het boek – dat LINDAnieuws exclusief mag voorpubliceren – heeft gekozen.

In levenden lijve

‘Hé hoi! Hoe is het?’
De redactrice van het tv-programma klonk enorm monter.
‘Het gaat,’ murmelde ik omslachtig, omdat ik twijfelde tussen me er makkelijk van afmaken en eerlijk zijn.
‘O ja, nou, goed. Fijn. Fijn!’ babbelde het meisje over mijn antwoord heen, het bewijs leverend voor het wonderlijke fenomeen dat op de vraag ‘Hoe gaat het?’ slechts één antwoord mogelijk is. Als je niet aangeeft dat alles superdepuper is, mengt het ongemak zich als een ongenode gast in het gesprek.
‘Maar goed, het nieuwe seizoen begint weer, we hebben er zin in, dus wil je volgende week bij ons te gast zijn?’ ging ze na enige stilte ijzerenheinig vrolijk verder.
‘Ik heb besloten een tijdje in de luwte te blijven,’ zei ik.
‘Ah! Joh. Okééé. Maar je bent altijd welkom, hoor. Zeg, heb jij nog wat spannends meegemaakt deze zomer?’
Secondelang vergat ik te ademen. Pas toen ik ophing borrelde het op uit mijn binnenste. Een eigenaardig gehinnik. ‘Ben je niet pissig?’ vroeg mijn man. Welnee. Blijkbaar was haar ontgaan dat mijn moeder dood was, ondanks de stukjes die ik erover had geschreven. Dat kon. Bovendien word ik zelden kwaad om onhandigheid.
Een oom bezocht me. Toen hij vertrok zei hij: ‘Wat fijn je even in levenden lijve te zien.’
‘Ja, dat vind ik tegenwoordig ook een voordeel,’ flapte ik eruit, waarna we beiden begonnen te giechelen.
Ik heb nog nooit zo vaak de slappe lach gehad als in die dagen. Het was geen lach om niet te huilen, dat huilen kwam vanzelf, op onverwachte momenten. Niet toen ik mijn moeders kleding sorteerde, wel toen ik mijn jongste afleverde op voetbalkamp. Zijn gesjor aan dat te grote broekje dat telkens afzakte toen hij het veld oprende. Tranen die ik snel verborg achter mijn hand.
Alle emoties lagen aan de oppervlakte. Het dagelijks leven dat ze doorgaans dempte was verstoord. Ik lachte meer, ik jankte meer, en toen ik op een ochtend met een enorm broodmes op voorverpakte plakjes kaas stond in te hakken omdat er in dat gloeiendegloeiende handig bedoelde openmaaklipje geen millimeter beweging was te krijgen, wist ik dat er ook woede in me zat. Dat woede een fase in de rouwverwerking is, maakte me trouwens ook gloeiendegloeiend pissig.
Op mensen was ik echter nauwelijks kwaad te krijgen. Ik had het zelf regelmatig gedaan. Onhandig stamelend tegenover iemand die iets verschrikkelijks had meegemaakt. Een schouderklop, een kneepje in de arm en dan de tekst: ‘Als ik iets voor je kan doen, laat het me weten.’ Pas nu wist ik dat, hoe goed bedoeld ook, zo’n regeltje totaal onzinnig is. Het laatste waar je toe in staat bent in periodes van groot verdriet is geheel zelfstandig een kennis van de sportschool of een overblijfmoeder bellen met de vraag of ze je willen helpen het beddengoed te wassen of voedzame kindermaaltijden te koken.
Gek is het, dat we zo slecht weten wat we moeten doen als iemand rouwt. Tientallen kaarten kreeg ik met de tekst: ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Feliciteren is zoveel makkelijker dan condoleren. Toch schuurt het. Vaak voelde ik me alleen met mijn tranen. Ik verstopte me in portieken als het me te veel werd, omdat ik de overbuurvrouw of die vage kennis aan de overkant van de straat geen ongemakkelijk gevoel wilde geven. Op de vraag hoe het ging, mompelde ik: ‘Ja, ja, gaat wel,’ terwijl het soms helemaal niet ging. En ik schikte de ene na de andere bos bloemen in een vaas. Enorm lief dat we ze kregen, maar tot mijn schaamte wilde ik ze soms toch uit mijn leven denken. Want bloemen, die gaan hartstikke dood en op mijn zwaarste momenten zag ik nu overal een stuk overlijden in mijn huis.
Soms wilde ik gillen als iemand in al zijn onhandigheid zei: ‘Ach, het komt wel weer goed.’ Nee, de dood komt niet goed. Wie weg is, blijft weg. Ik wilde mijn moeder zo graag zien in vlinders, in regenbogen, in zonnebloemen in een vaas, en soms was ze er, maar vaak niet. Toen ze leefde, trok ze zich vaak terug. Maar nu ik haar telkens zei: ‘Nou, kom nu maar weer tevoorschijn, mam,’ bleef het stil.
Daarom zocht ik haar in spulletjes. Die ene jas. Die moest toch ergens zijn? Ze is altijd mooi geweest, of ze nu in een uitverkoopje van de Zara liep of in Louis Vuitton. Mijn moeder deed beide. Nog voor het mix&matchprincipe in was en blogmeisjes piepten dat ze het enig vonden om een Pradabroekje te combineren met een doodgewoon riempje van de hihihi-ik-ben-zo’n-gekke-creatieve-meid-Hema, kleedde mijn mama zichzelf in een combinatie van Valentinorok, vestje van de Hennes en een haarband die ze bij de Zeeman had opgeduikeld. Iedereen die haar zag vermoedde een stylist in haar. Niemand wist dat haar geest soms zo zwart was als de Chaneljas die we in die vintagewinkel in Kopenhagen hadden gevonden. Ik wilde haar gelukkig maken en dus hield ik de zwarte mantel voor haar open. Terwijl ik de stof rond haar schouders sloeg, sloeg ik ook mijn arm om haar heen.
Ze was wiebelig die dagen, maar kroop er gelukzalig in weg. ‘Je mag hem altijd van me lenen, kind. Echt, daar doe je me een plezier mee.’
Ik glimlachte. ‘Hoeft niet, mam. Het is jouw jas. Jouw mooie Chaneljas.’
Ik heb haar hem zelden zien dragen. Een paar maanden na de aankoop viel ze van de trap. Niet in een mooie jas of op haar goede schoenen, maar in haar merkloze nachthemd. Er is niets design aan de dood.
Nu ruimde ik haar kledingkast op. Mijn handen gingen langs rijen volledig samengestelde setjes. Talloze paren schoenen stonden naast elkaar in het gelid, in elk ervan een bijpassend sokje. Toen, op het allerlaatst, in haar wasmand bedolven onder een Zarabloesje en twee doodgewone witte T-shirts, zag ik hem liggen. De Chaneljas.
Ik aaide de stof. Ik aaide haar. En deed hem aan. ‘Je mag hem altijd van me lenen, kind. Echt hoor, daar doe je me een plezier mee.’
Ik wilde haar met die jas gelukkig maken. Misschien deed ik dat alsnog door hem nu te dragen.
Ze bleek soms minder ver weg dan ik dacht. Op een middag dacht ik het zeker te weten: de gekte had nu echt toegeslagen. Mijn verbeelding had mijn verstand gekaapt. Het kwam door die klapband van twee jaar daarvoor. Sindsdien kon ik nooit meer door de Piet Heintunnel rijden zonder de overtuiging dat er opnieuw op deze plek iets mis was met mijn auto. De bandenspanning klopte niet, ik voelde een rare bobbel, o nee, daar ging ik weer, opgezogen door dat ruisende zwarte gat. Natuurlijk was er nooit iets aan de hand. Maar nu begon het doemdenken ook toen ik over de A9 reed. Er was iets niet oké, wist ik plotsklaps zeker. Ik bemerkte een afwijking naar links, keek in mijn spiegel, de verwarmingsdraden in mijn achterruit trilden, ik durfde niet harder dan honderd te rijden. Honderd was het magische getal: als ik versnelde ging het mis.
‘Hou op, Roos. Hou het bij de waarheid, paniektrut. Het trillen zit in jou, niet in de auto. Het is de angst. Jouw angst. Dat er weer iets onherstelbaar kapotgaat. Of dood.’ Hoe ferm ik mezelf ook toesprak, ik hoorde vooral mijn hartslag die door mijn kop roffelde. Ik moest stoppen.
Op een parkeerplaats stapte ik inwendig grommend uit. Kijk nou. Er was niets. Ik liep om de auto heen. Toen hield ik stil. Mijn rechterachterband was volledig plat.
‘Heb je dáár kilometers mee doorgereden?’ vroeg de man van de ANWB even later luid. ‘Godsammekrake. Weet je dat dat levensgevaarlijk is?’ Hij pakte zijn telefoon en maakte een foto van de band vol butsen en bulten. ‘Effe vastleggen voor de collega’s. Anders geloven ze nooit dat dit echt is gebeurd.’
Terwijl de man met een mechanische krik in de weer ging, staarde ik naar mezelf in de autoruit. Ik keek in de verwarde blik van mijn moeder. En zag de ogen van mijn oma. Wie zijn we als we onszelf niet meer vertrouwen? Wie zijn we als het vertrouwde wegvalt?

We hadden enkele weken bij mijn vader gewoond, in het huis naast de kastanjeboom.
Nu waren we weer thuis. Ik probeerde de draad op te pakken.
Boterhammen smeren.
Kinderen naar school.
E-mail checken.
Schrijven.
Boodschappen doen.
Alles leek hetzelfde. Maar ik was een vrouw met extra boodschappentassen. Tassen vol gemis. Als ik mijn neus in een van die tassen stak, rook ik haar. De mengeling van Chanel N°5 en Eight Hour Cream, een boterachtige crème die ze haar hele leven gebruikte om droge plekjes mee in te vetten.
Ik ademde in en sjouwde verder. Soms waren de tassen me te zwaar. Ik moest gaan zitten, midden op de stoep. De hengsels striemden mijn schouder, het gewicht trok me omlaag. Daarna ging het weer. In mijn hoofd telde ik af, alsof ik een raket was die gelanceerd moest worden. Vijf, vier, drie, twee, een. Dan graaide ik al mijn kracht bijeen om met ferme pas naar huis te lopen. Om de deur te openen. Om te roepen: ‘Dag lieverds! Hoe was het op school? Ik heb stroopwafels gekocht.’ Alsof de tassen er niet waren. Alsof alles echt hetzelfde was als toen, voor het ongeluk.
Zou er een moment komen waarop ik de tassen thuis kon laten liggen? Waarop ik even niet meer de dochter van een overleden moeder was, waarop ik me een klein momentje kon indenken dat ik naar haar huis ging, de deur opende en me onder haar vleugels vlijde? En dat ze dan haar tas pakte en zei: ‘Je wangen zijn schraal, hier, smeer dit erop.’ Kwam er ooit weer een dag die niet normaal leek, maar normaal was?
Een paar dagen later sjouwde ik vijf bossen dode bloemen mijn huis uit toen mijn oog op de buurman viel, die zijn poedel uitliet. Gegeneerd kneep ik de vuilniszak dicht. Ik wilde de geur van rottend water niet in mijn huis. De struiken moesten weg. Maar het stond zo ondankbaar.
Ik voelde me die weken permanent onhandig. Ik schutterde in de marge, had nooit geweten hoe schaamte aan verdriet gekleefd zit. Schaamte als ik meezong met een vrolijk liedje en mensen geschokt zag kijken. Schaamte voor mijn tranen, als een goedbedoelende kennis ‘Niet huilen’ mompelde terwijl ik, na dagen emotioneel geconstipeerd te zijn geweest, blij was dat het ventiel in mijn hoofd eindelijk weer openging. Ik aarzelde op talloze drempels waar ik normaliter onnadenkend overheen stapte. Mocht ik het alweer ergens anders over hebben? Moest ik het niet eens ergens anders over hebben? Waren mensen mij en mijn verdriet om mijn overleden moeder al zat? Was dat überhaupt relevant?
Het was ingewikkeld me tot anderen te verhouden. Urenlang ging het redelijk en dan opeens bleek ik al een hele tijd voor het stoplicht de boel op te houden omdat ik naar een affiche staarde. Stabat mater, schreeuwde dat me toe. Stabat mater dolorosa. ‘De moeder stond bedroefd.’ Ik wist dat het over Maria en Jezus ging, moeder en zoon. Maar ik rook rottend water. ‘Loop door, teef,’ spuugde een scooterpuistje me toe.
In Amsterdam achtervolgde de dood me. Ik vluchtte met mijn racefiets de polder in, waar ik ongestoord kon zingen, janken en staren. Niets stelde zo gerust als het Noord-Hollandse landschap. PAS OP. KWETSBAAR GEBIED, stond op een bordje voor een weiland waar riet zich naar de hemel strekte en insecten verstoppertje speelden. Kwetsbaar gebied. Barstensvol leven.
Die avond keilde ik de dode bloemen weg. Mijn buurman maakte wapperende armgebaren richting zijn hondje dat glazig voor zich uit droomde. ‘Toe,’ fleemde hij, ‘ga nou mee naar binnen.’ De poedel bewoog niet.
‘Ze vergeet soms wat ze aan het doen is,’ zei de man, alsof-ie mij een verklaring schuldig was.
Ik knikte.
‘Geen idee wat er in die kop omgaat.’
De hond zette een paar pasjes richting een prullenbak en leek een diepgravende analyse te maken van het patatbakje dat er achteloos naast gegooid lag.
‘Vaak weet ze gewoon een tijdje niet meer waarmee ze bezig is en blijft ze tien minuten zo staan.’
Dat heb ik ook weleens, wilde ik zeggen, maar ik mompelde: ‘Succes ermee.’
Toen ik mijn sleutel in het slot stak, wierp ik een laatste blik achter me. De hond had nog altijd onzichtbaar spiritueel contact met het Feboplastic. De buurman stond er glimlachend bij.
‘Laat maar lekker staan,’ zei ik zacht. ‘Ze gaat vanzelf weer lopen.’

Het boek Moeder van glas is vanaf vandaag te koop op bol.com.

Lees ook
Deze column van Roos Schlikker over haar overleden moeder grijpt je naar de strot

VIDEO'S | NIEUWS | BEKEND | CULTUUR

Bron: Roos Schlikker | Foto: LINDA.130 / Carly Hermes

Foutje gezien? Mail ons. We zijn je dankbaar

Reacties

sabine commandeursabine commandeur

mooi verhaal dank je Roos. Sabine

Meer cultuur

Lees dit ook even

Please update your browser